Menu
Anesthesiologie

Anesthesie

Bij veel medische ingrepen gebruikt de arts een verdoving (anesthesie). Een verdoving maakt (een deel van) het lichaam gevoelloos waardoor u geen pijn ervaart. Er zijn verschillende vormen van verdoving en pijnbestrijding. Vaak overlegt de arts met u welke vormen van anesthesie en pijnbestrijding mogelijk zijn.

Verschillende soorten verdoving (anesthesie)

Wat gebeurt er bij verdoving voor een operatie?

Voor de operatie maakt u eerst kennis met de anesthesioloog tijdens de preoperatieve screening op de Polikliniek Anesthesiologie. Dat is de specialist die zich heeft toegelegd op de verschillende vormen van narcose, verdoving, pijnbestrijding en intensieve zorg rondom de operatie. De anesthesioloog is op de hoogte van uw ziektegeval en bespreekt samen met u welke anesthesie voor u het meest geschikt is.

Soorten verdoving

In grote lijnen bestaan er drie soorten verdoving (anesthesie):

  1. Sedatie
    Sedatie betekent letterlijk het verlagen van het bewustzijn van een patiënt. Wanneer er tijdens een onderzoek en/of behandeling ook pijnstilling (analgetica) wordt toegediend spreekt men over Procedurele Sedatie Analgesie (PSA). Uw bewustzijn wordt zo veel verlaagd dat u niets meer van de ingreep meekrijgt, maar nog wel zelf blijft ademen.
  2. Algehele verdoving (algehele anesthesie of narcose)
    Bij algehele anesthesie ook wel narcose genoemd, wordt het hele lichaam verdoofd en bent u tijdelijk buiten bewustzijn. Doordat u tijdelijk buiten bewustzijn bent, merkt u niets van de operatie en zult u zich ook nadien niets van de operatie kunnen herinneren. De medicamenten die nodig zijn voor de anesthesie worden in de meeste gevallen via een infuus toegediend. Als het nodig is wordt er, zodra u onder anesthesie bent, een buisje in uw keel gebracht ten behoeve van de beademing.

  3. Regionale verdoving (ruggenprik / regionale verdoving van de arm)
    Bij een regionale anesthesie wordt een gedeelte van het lichaam bijvoorbeeld een arm of het gehele onderlichaam tijdelijk gevoelloos en bewegingloos gemaakt. Door een verdovingsmiddel rond een zenuw te spuiten kunnen zenuwen of zenuwbanen tijdelijk worden uitgeschakeld. In de rug lopen vanuit het ruggenmerg grote zenuwen naar het onderlichaam en de benen. Deze zenuwbanen worden met een ruggenprik verdoofd. Die prik komt niet in de buurt van het ruggenmerg, dat dus niet beschadigd kan raken. Een arm kan worden verdoofd door de zenuwknoop (plexus) die naar de arm loopt tijdelijk uit te schakelen door rond de zenuwen een verdovingsmiddel in te spuiten, bijvoorbeeld in de oksel, bij het sleutelbeen of in de hals.

    Bij regionale verdoving worden de zenuwen die op pijn reageren zo volledig mogelijk uitgeschakeld. Het gevoel verdwijnt soms niet helemaal. Het is normaal als u voelt dat u wordt aangeraakt, maar het doet geen pijn. Vaak lopen de pijnzenuwen samen met de zenuwen die de spieren laten werken. Die worden met de verdoving ook tijdelijk uitgeschakeld. De spieren raken dan verlamd: ze werken even niet. Als de verdoving volledig is uitgewerkt, hebt u weer de normale kracht en beheersing over de spieren.

  4. Lokale verdoving (plaatselijke verdoving)
    Lokale verdoving wordt over het algemeen door de operateur zelf gegeven en daar hoeft de anesthesioloog of de anesthesiemedewerker meestal niet bij te zijn. Voor kleine ingrepen onder lokale verdoving hoeft u in principe niet nuchter te zijn, mits de operateur dit anders met u bespreekt.

Voorbereiding op de operatie

Aan de hand van de preoperatieve screening wordt uw verdoving bepaald. Wanneer er tussen de screening en de operatie belangrijke veranderingen zijn in uw medicijngebruik of gezondheid, raden we u aan dit te delen met de verpleegkundigen van de preoperatieve screening.

Narcose bij kinderen

Als uw kind wordt geopereerd, mag 1 ouder/verzorger mee bij de inleiding van de narcose. Klik hier voor meer informatie over narcose bij kinderen.

Downloads