Lintopdrachten overslaan
Verdergaan naar hoofdinhoud
Omhoog

Hoe kunnen wij u helpen?

ONDERZOEK

A - Z AZ lijst gebruiken om een pagina te vinden
Home > Onderzoeken > Vruchtbaarheidsonderzoek

Vruchtbaarheidsonderzoek

Inhoud

1. Inleiding
2. Zwanger worden
3. Verminderde vruchtbaarheid
4. Vruchtbaarheidsonderzoeken
    4.1 Het lichamelijk onderzoek
    4.2 Onderzoek naar de eisprong
    4.3 Zaadonderzoek
    4.4 Test na de samenleving
    4.5 Baarmoederfoto (HSG)
    4.6 Kijkoperatie
5. Behandeling
    5.1 Geen goede eisprong
    5.2 Geen goed kwaliteit baarmoederslijm
    5.3 Zaadafwijkingen
    5.4 Afgesloten eileiders
6. Begeleiding
7. Vragen?
8. Meer informatie
 

1. Inleiding

In deze folder geven we u informatie over wat u van ons kunt verwachten bij het eerste bezoek en krijgt u informatie over zaken rond vruchtbaarheid. Uw behandelend arts bespreekt de problemen met u. Alle vragen die tijdens onderzoek of behandeling bij u opkomen, kunt u aan uw arts of verpleegkundige stellen; eventueel maakt u daarvoor een aparte afspraak. Deze folder vervangt niet het persoonlijk gesprek met uw arts.


2. Zwanger worden

Een zwangerschap kan pas tot stand komen als aan een aantal voorwaarden is voldaan:

  • er moet een eicel vrijkomen;
  • er moeten voldoende gezonde zaadcellen zijn;
  • de weg die de eicel en de zaadcel gaan moet toegankelijk zijn.

De menstruatiecyclus duurt gemiddeld 28 dagen, gerekend vanaf de 1e dag van de menstruatie tot de 1e dag van de volgende menstruatie. In het begin van de cyclus komt in de eierstok een eiblaas tot ontwikkeling. Bij de eisprong (ovulatie) komt uit deze eiblaas een eicel vrij (follikel). De eisprong vindt meestal plaats tussen de 10e en 14e dag van de cyclus; dit zijn de vruchtbare dagen. De vrijgekomen eicel gaat via de eileider naar de baarmoeder (uterus). De productie van zaadcellen vindt plaats in de zaadballen. Bij een zaadlozing komen deze zaadcellen samen met het zaadvocht naar buiten. Het zaad gaat via de schede en het slijm van de baarmoederhals naar de baarmoeder en vervolgens naar de eileiders. Hier komen de zaadcellen en de eicel samen en kan de bevruchting plaatsvinden.

De bevruchte eicel (embryo) doet er 3 dagen over om door de eileider naar de baarmoeder te gaan. Hier kan het embryo zich innestelen als het slijmvlies van de baarmoeder rijp is. De rijping vindt plaats onder invloed van hormonen die de eierstok produceert. De innesteling gebeurt op de 7e dag na de eisprong, dus ongeveer 3 weken na het begin van de laatste menstruatie. Zelfs als aan alle voorwaarden is voldaan, is het niet zeker dat er een zwangerschap ontstaat. Onder de meest gunstige omstandigheden is de kans per cyclus 20% dat een vrouw zwanger raakt.
 

3. Verminderde vruchtbaarheid

Binnen een grote groep mensen die probeert zwanger te worden, zal dit ongeveer 80% van de paren binnen 1 jaar gelukt zijn. Na 2 jaar is dat 90%. Er is sprake van ongewenste onvruchtbaarheid wanneer na 1 jaar geen zwangerschap optreedt. De oorzaken voor het uitblijven van zwangerschap is bij:

  • 30% de man;
  • 30% de vrouw;
  • 30% de combinatie van deze man met deze vrouw;
  • 10% niet te vinden, we spreken dan van “onverklaarbare onvruchtbaarheid”.

Belangrijke vragen bij verminderde vruchtbaarheid zijn:

  • komt er wel een eicel vrij?;
  • zijn er genoeg actieve zaadcellen?;
  • bereiken eicel en zaadcel elkaar;
  • kan de bevruchte eicel zich innestelen?
     

4. Vruchtbaarheidsonderzoeken

Bij het 1e bezoek aan de polikliniek zal uw arts vragen stellen over de regelmaat van de cyclus, over vroegere ziekten, operaties, medicijngebruik en andere omstandigheden die invloed op uw vruchtbaarheid kunnen hebben. Ook aan de man zullen vragen worden gesteld over ziekten, operaties en medicijngebruik. Als er aanleiding voor is, wordt op bepaalde vragen dieper ingegaan. Soms zal na afloop van het 1e bezoek bloedonderzoek worden gedaan. Voor het opsporen van de oorzaak van verminderde vruchtbaarheid, is het mogelijk onderzoeken te ondergaan. Deze onderzoeken, die hieronder staan beschreven, verschillen voor vrouw en man. 

 

4.1 Lichamelijk onderzoek

Vrouw
Tijdens het 1e polikliniekbezoek doet de arts een lichamelijk onderzoek. Bij inwendig onderzoek zijn er afwijkingen aan baarmoeder of eierstokken te voelen. Meestal maakt uw arts ook nog een uitstrijkje. Na afloop van het eerste bezoek vindt bloedonderzoek plaats.

Man
Als het zaadonderzoek daar aanleiding toegeeft, doet de arts lichamelijk onderzoek bij u.

4.2 Onderzoek naar de eisprong
Na het 1e bezoek aan de polikliniek zijn er verschillende mogelijkheden om vast te stellen of de eierstokken ook daadwerkelijk eicellen afgeven. Dit onderzoek is uiteraard alleen bestemd voor de vrouw. Uw arts bespreekt met u voor welke mogelijkheid u in aanmerking komt.

Bijhouden temperatuur - Basaal Temperatuur Curve (BTC)
Elke ochtend op ongeveer dezelfde tijd neemt u de temperatuur op met een koortsthermometer. De uitslag noteert u op de BTC-kaart. Wanneer de punten op deze kaart met elkaar verbonden zijn, ontstaat er een lijn, de zogenaamde curve (BTC). Het patroon van deze lijn geeft uw arts informatie over de eisprong.

Echoscopie
Met geluidsgolven kunnen afbeeldingen worden gemaakt van de baarmoeder en eierstokken. De groei van de eiblazen (follikels) in de eierstokken is met echoscopie goed te volgen. Het is dan ook mogelijk vrij nauwkeurig het moment van eisprong te voorspellen. Echoscopisch onderzoek vindt plaats op de polikliniek. Het onderzoek, dat via de schede gebeurt, duurt enkele minuten en is pijnloos. De cyclus zal vanaf cyclusdag 10 worden gevolgd tot aan de eisprong. Afhankelijk van de groei van het eiblaasje zult u een aantal keren op het spreekuur terug moeten komen. Zie ook de folder Echoscopie in de gynaecologie.

 

Urineonderzoek
Voorspellen op welke dag de eisprong is, kan door elke dag de urine te onderzoeken op aanwezigheid van een hormoon dat de eisprong stimuleert. Het onderzoek kunt u zelf uitvoeren. Alhoewel het testmateriaal te koop is bij apotheker en drogist is het niet aan te raden de test op eigen initiatief te doen. De tests zijn nogal duur en uw verzekeraar vergoedt ze in het algemeen niet.

Bloedonderzoek
Op cyclusdag 3 wordt er bloed geprikt in verband met hormoononderzoek. Een week na de verwachte eisprong zal het hormoon progesteron worden bepaald. Hiermee kan een eventuele eisprong worden vastgesteld.

 

4.3 Zaadonderzoek
Voor zaadonderzoek levert de man zaad in. De polikliniekassistente regelt voor u een afspraak met het fertiliteitslaboratorium. Het is van belang dat u tussen 2 en 7 dagen (bij voorkeur 3 dagen) voor het onderzoek geen zaadlozing, seksuele gemeenschap hebt gehad. Het zaad vangt u op in een potje dat u op de polikliniek krijgt. Zorgt u ervoor dat het potje op kamertemperatuur blijft. De zaadlozing bij voorkeur door masturbatie (zelfbevrediging met de hand) opwekken. Het potje kunt u (binnen 1 uur na de zaadlozing) op de afgesproken dag en tijdstip afgeven bij het fertiliteitslaboratorium, route 125. Het fertiliteitslaboratorium is te bereiken op werkdagen van 08:00 uur tot 16:30 uur, tel.: (0570) 53 50 91. Zie voor meer informatie de folder Uitgebreid spermaonderzoek bij vruchtbaarheidsonderzoek.

 

4.4 Test na de samenleving
Op het moment dat bij echoscopisch onderzoek wordt vastgesteld dat er een eiblaasje minimaal de grootte van 17mm. heeft bereikt, ondergaat de vrouw de test na de samenleving. Om een bevruchting tot stand te brengen, is het noodzakelijk dat de zaadcellen binnendringen in het slijm van de baarmoederhals. Uw arts of verpleegkundige kan dit controleren door na de seksuele gemeenschap een beetje slijm uit de baarmoederhals weg te halen en dit onder een microscoop te laten onderzoeken op het fertiliteitslaboratorium. Er wordt gekeken naar de voortbeweging en overleving van de zaadcellen in het baarmoederhalsslijm. Alleen in de vruchtbare periode is het slijm goed. Vòòr de vruchtbare periode en erna is er geen slijm of is het slijm taai en kunnen de zaadcellen er niet in binnendringen. De test moet dus altijd in de vruchtbare periode en na seksuele gemeenschap gebeuren. Een juiste timing van deze test is van essentieel belang voor een juiste uitslag. Net zoals bij het zaadonderzoek is het van belang dat u tussen 2 en 7 dagen (bij voorkeur 3 dagen) voor het onderzoek geen zaadlozing, seksuele gemeenschap hebt gehad. De avond voor het onderzoek moet u dan samenleving hebben. Bij het onderzoek haalt de arts of verpleegkundige met een spuitje wat slijm weg uit de baarmoederhals met behulp van een speculum (eendebek).
Bij een positieve test is de kwaliteit van het slijm goed en zijn er genoeg zaadcellen die voldoende krachtig vooruit bewegen. Als de test negatief is, kan het nodig zijn de test enkele dagen later te herhalen. Soms lukt het door de spanning of andere omstandigheden niet om op het afgesproken tijdstip samenleving te hebben; bespreek dit met uw arts of verpleegkundige voortplantingsgeneeskunde. Alle resultaten worden met uw gynaecoloog besproken en er zal samen met u een beleid worden bepaald. Zie voor meer informatie de folder “Post Coitum Test bij vruchtbaarheidsonderzoek” op www.dz.nl/vrouw/.

4.5 Baarmoederfoto (HSG)
Een foto van de baarmoeder en eileiders laat zien of de eileiders open zijn. Een afspraak voor dit onderzoek maakt u via de polikliniek Gynaecologie. Om zeker te weten dat u niet zwanger bent, vindt het onderzoek plaats in de periode na het einde van de menstruatie en vóór de eisprong. Het onderzoek gebeurt op de afdeling Radiologie en duurt ongeveer een half uur. Voor dit onderzoek zult u pijnstilling krijgen in de vorm van tabletten. Een gynaecoloog en een radioloog voeren samen het onderzoek uit. Om het infectiegevaar zo klein mogelijk te houden, is het belangrijk schede en baarmoederhals te ontsmetten met betadine jodium. Daarna  zal er een katheter ingebracht worden die middels een opgeblazen ballonnetje op de plaats wordt gehouden. Hierdoor spuit de arts een kleine hoeveelheid contrastmiddel in de baarmoeder. Bijna altijd treden hierna krampen op die lijken op menstruatiepijn. Door de contrastvloeistof zijn de baarmoederholte en de binnenkant van de eileiders zichtbaar op de monitor. U kunt meekijken.

Om te bekijken of de contrastvloeistof zich normaal door de buikholte heeft verspreid, is het noodzakelijk de volgende dag nog een controlefoto te maken. Inspuiten van contrastvloeistof of verrichten van inwendig onderzoek is dan niet meer nodig.

4.6 Kijkoperatie (laparoscopie)
Een kijkoperatie vindt meestal pas een half jaar na het maken van een baarmoederfoto plaats. Een kijkoperatie is vaak het laatste onderzoek. Als er reden is om te denken aan verklevingen in de buik (bijvoorbeeld omdat u een ontsteking van de eileiders had) of als de baarmoederfoto afwijkingen laat zien, dan zal uw arts voorstellen deze ingreep eerder te ondergaan. Voor de kijkoperatie is een korte opname van 1 dag nodig. ’s Morgens komt u op de afdeling Dagbehandeling en in de loop van de middag kunt u weer naar huis. De kijkoperatie gebeurt onder algehele verdoving. Om de baarmoeder, eileiders en eierstokken te kunnen zien spuit de arts door een holle naald koolzuurgas in uw buikholte. In de onderrand van de navel maakt de arts een klein sneetje en brengt hierdoor de kijkbuis (laparoscoop) naar binnen. Net boven het schaamhaar komt een 2e sneetje om een staafje in te kunnen brengen. Hiermee kan de arts de inwendige organen optillen om ze aan alle kanten te bekijken. Hierna volgt de onderzoek van de eileiders. Via de schede en de baarmoederhals spuit de arts blauwe kleurstof in de baarmoeder. Wanneer de eileiders open zijn, zal de blauwe kleurstof in de buikholte komen. Dit is goed te zien door de kijkbuis. U kunt na de ingreep enige uren last hebben van misselijkheid, een droge mond en een pijnlijke buik. Ook is het mogelijk dat u pijn in de schouders hebt. Een kleine hoeveelheid koolzuurgas dat in de buik is achtergebleven en zich ophoopt onder het middenrif kan deze pijn veroorzaken. De pijn kan wel enkele dagen aanhouden. Het lichaam verwijdert zelf het restantje koolzuurgas. U hebt na de kijkoperatie 2 kleine littekens, die na verloop van tijd nauwelijks meer zijn te zien. Een paar dagen na het onderzoek kunt u in de regel uw normale bezigheden weer uitvoeren. Na 5 dagen gaan de hechtingen eruit.
Voor u naar huis gaat krijgt u te horen wat de arts gezien heeft tijdens de ingreep. Vaak “vergeet” u deze informatie door de narcose. Daarom volgt er altijd een afspraak voor nacontrole, om uitvoerig alles met u te bespreken. Soms is een kleine afwijking al tijdens de kijkoperatie te behandelen. Afwijkingen waarvoor een grotere ingreep noodzakelijk is, gebeuren nooit tijdens een kijkoperatie.
 

5. Behandeling

De behandeling hangt af van de afwijkingen die tijdens het onderzoek zijn ontdekt. Ook kan de behandeling afhangen van de factoren die voor iedereen verschillend zijn, zoals de leeftijd van de vrouw, de duur van de kinderloosheid, de kwaliteit van het zaad en behandelingen die al eerder toegepast zijn. Iedere patiënt krijgt zoveel mogelijk een behandeling op maat. Het is daarom niet mogelijk u nu al een precieze indruk te geven wat u te wachten staat. Vóór elke behandeling krijgt u zo goed mogelijk uitleg wat de behandeling inhoudt, wat u ervan kunt verwachten en wat de mogelijke bijwerkingen zijn. Hieronder volgt een korte beschrijving van enkele behandelingen bij bepaalde afwijkingen.

5.1 Geen goede eisprong
Wanneer er geen goede eisprong is, kunnen tabletten (bijvoorbeeld Clomifeen) en/of spuiten er meestal voor zorgen dat het eitje groeit en er vervolgens een eisprong plaatsvindt. In dit geval kan het enkele cycli in beslag nemen voor het vaststellen van de juiste dosering. Zie ook de folder: voorlichting over OI (Ovulatie Inductie).

5.2 Geen goed kwaliteit baarmoederslijm
Een hormoonkuur kan de kwaliteit van het baarmoederslijm verbeteren. Corrigeren van te zuur baarmoederslijm kan door de schede voor de samenleving te spoelen met een oplossing van natriumbicarbonaat. Een andere behandeling is het inbrengen van zaadcellen van de partner direct in de baarmoeder (intra-uteriene inseminatie). Zie voor meer informatie de folder Spermaopwerking t.b.v. Intra Uterine Inseminatie (IUI).

 

5.3 Zaadafwijkingen
Meestal zijn zaadafwijkingen niet te behandelen met medicijnen. Soms kan het inbrengen van zaadcellen in de baarmoeder zinvol zijn. Zie ook de patiëntenfolder: Spermaopwerking t.b.v. Intra Uterine Inseminatie (IUI). Een andere vorm van behandeling kan de reageerbuisbevruchting (IVF) zijn, eventueel in combinatie met het inbrengen van een zaadcel direct in de eicel (ICSI). Ook kunstmatige bevruchting met donorzaad (KID) is een mogelijkheid.

5.4 Afgesloten eileiders
Soms zijn tijdens een operatie eileiders te openen of verklevingen te verwijden. Als een operatie niet zinvol is, dan kan reageerbuisbevruchting een mogelijkheid zijn. Uw arts bespreekt met u hoe vaak een bepaalde behandeling zal worden toegepast. Is in de afgesproken periode geen zwangerschap opgetreden, dan is het over het algemeen niet zinvol om langer met de behandeling door te gaan. Het zal dan ook niet bij iedereen lukken een zwangerschap tot stand te brengen. Een gedeelte van alle patiënten die zich aanmeldt op de polikliniek met ongewenste onvruchtbaarheid zal kinderloos blijven. Als laatste mogelijkheid kunt u ook nog aan adoptie denken. Wij kunnen u, als u dat wilt, daarover nader informeren.
 

6. Begeleiding

Gynaecoloog
De gynaecoloog is uw hoofdbehandelaar. Bij de vervolgonderzoeken zijn ook verpleegkundigen en andere gynaecologen (en arts-assistenten) betrokken. De gynaecoloog is degene met wie u de uitslagen van de onderzoeken en het behandelplan bespreekt. Als er onduidelijkheden zijn of vragen over uw behandeling dan kunt u altijd een afspraak maken met uw gynaecoloog.

Verpleegkundige Voortplantingsgeneeskunde
De Verpleegkundige VoortPlantingsGeneeskunde (VPG) ondersteund de gynaecoloog bij de zorg voor patiënten met vruchtbaarheidsproblemen. Ze houdt dagelijks spreekuur waarin ze voorlichting en instructies geeft over de behandelingen en brengt de cyclus van de vrouw in kaart. De VPG houdt telefonisch spreekuur op maandag, dinsdag, donderdag en vrijdag van 12.30 -13.30 uur op (0570) 53 51 02. U kunt uw vraag ook mailen naar: voortplantingsgeneeskunde@dz.nl

Maatschappelijk werker
Bij uw 1e bezoek aan de polikliniek maakt u kennis met uw “eigen” gynaecoloog. Deze gynaecoloog is uw hoofdbehandelaar. Bij de vervolgonderzoeken zijn ook verpleegkundigen en andere gynaecologen (en arts-assistenten) betrokken. De hoofdbehandelaar is degene met wie u de uitslagen van de onderzoeken en het behandelplan bespreekt. Als er onduidelijkheden zijn of vragen over uw behandeling dan kunt u altijd een afspraak maken met uw hoofdbehandelaar.
Het vruchtbaarheidsonderzoek brengt vaak spanning en onzekerheid met zich mee. Als u de stap hebt gezet om duidelijkheid e krijgen over de mogelijke oorzaken van het uitblijven van zwangerschap dan wilt u ook dat de behandeling zo snel mogelijk begint. Toch neemt het onderzoek veel tijd in beslag en blijft er een periode van onzekerheid bestaan over de afloop van de onderzoeken en de behandeling. Ook kan het onderzoek belastend zijn voor uw (sexuele) relatie: verplicht vrijen op ongewone tijdstippen kan de spontaniteit van uw relatie beïnvloeden. U zult vaak (vooral de vrouwelijke partner) naar het ziekenhuis moeten komen op de meest uiteenlopende tijdstippen. Het kan heel goed zijn dat u uw werkgever dit niet wilt meedelen. U kunt dan geen vrij krijgen en zult vakantiedagen moeten opnemen. Al deze problemen moet u in eerste instantie samen met uw partner het hoofd zien te bieden. Soms kan het zijn, dat u daarbij extra steun ervaart van familieleden of goede vrienden. Ook uw huisarts en uw eigen gynaecoloog zijn er om u bij te staan. Het kan echter voorkomen dat u er samen niet uitkomt en dat u behoefte hebt om met een deskundige te praten over uw persoonlijke problemen. Via uw eigen gynaecoloog kunt u contact opnemen met de afdeling maatschappelijk werk.
De doktersassistent of gynaecoloog zal ook een informatiebrochure uitreiken over “Emoties rond een kinderwens”.
 

7. Vragen?

Hebt u na het lezen van deze folder nog vragen of wilt u een afspraak maken dan kunt u bellen naar de polikliniek Gynaecologie. U kunt bellen op werkdagen van 8.00 tot 17.00 naar (0570) 53 50 50.
 

8. Meer informatie

Kijk voor meer informatie op www.freya.nl, een landelijke patiëntenvereniging voor mensen met vruchtbaarheidsproblemen of lees de brochure Oriënterend Fertiliteitsonderzoek van de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie