Lintopdrachten overslaan
Verdergaan naar hoofdinhoud
Omhoog

Hoe kunnen wij u helpen?

BEHANDELING

A - Z AZ lijst gebruiken om een pagina te vinden
Home > Behandelingen > Operatie met verdoving (anesthesie)

Operatie met verdoving (anesthesie)

Binnenkort ondergaat u een operatie. Bij die operatie is een vorm van anesthesie (narcose of verdoving) nodig. Hier leest u welke belangrijke voorbereidingen u moet treffen, welke verschillende vormen van anesthesie er zijn en wat er gebeurt op de operatiedag.

Wat is anesthesie?
In grote lijnen bestaan er 3 verschillende soorten verdoving (anesthesie):

  1. Algehele verdoving (algehele anesthesie of narcose)
    Bij algehele anesthesie ook wel narcose genoemd, wordt het hele lichaam verdoofd en bent u tijdelijk buiten bewustzijn. Doordat u tijdelijk buiten bewustzijn bent, merkt u niets van de operatie en zult u zich ook nadien niets van de operatie kunnen herinneren. De medicamenten die nodig zijn voor de anesthesie worden in de meeste gevallen via een infuus toegediend. Als het nodig is wordt er, zodra u onder anesthesie bent, een buisje in uw keel gebracht ten behoeve van de beademing.
     
  2. Regionale verdoving (ruggenprik / regionale verdoving van de arm)
    Bij een regionale anesthesie wordt een gedeelte van het lichaam bijvoorbeeld een arm of het gehele onderlichaam tijdelijk gevoelloos en bewegingloos gemaakt. Door een verdovingsmiddel rond een zenuw te spuiten kunnen zenuwen of zenuwbanen tijdelijk worden uitgeschakeld. In de rug lopen vanuit het ruggenmerg grote zenuwen naar het onderlichaam en de benen. Deze zenuwbanen worden met een ruggenprik verdoofd. Die prik komt niet in de buurt van het ruggenmerg, dat dus niet beschadigd kan raken. Een arm kan worden verdoofd door de zenuwknoop (plexus) die naar de arm loopt tijdelijk uit te schakelen door rond de zenuwen een verdovingsmiddel in te spuiten, bijvoorbeeld in de oksel, bij het sleutelbeen of in de hals.

    Bij regionale verdoving worden de zenuwen die op pijn reageren zo volledig mogelijk uitgeschakeld. Het gevoel verdwijnt soms niet helemaal. Het is normaal als u voelt dat u wordt aangeraakt, maar het doet geen pijn. Vaak lopen de pijnzenuwen samen met de zenuwen die de spieren laten werken. Die worden met de verdoving ook tijdelijk uitgeschakeld. De spieren raken dan verlamd: ze werken even niet. Als de verdoving volledig is uitgewerkt, hebt u weer de normale kracht en beheersing over de spieren.
     
  3. Lokale verdoving (plaatselijke verdoving)
    Lokale verdoving wordt over het algemeen door de operateur zelf gegeven en daar hoeft de anesthesioloog of de anesthesiemedewerker meestal niet bij te zijn. Voor kleine ingrepen onder lokale verdoving hoeft u in principe niet nuchter te zijn, mits de operateur dit anders met u bespreekt.

Welke vorm van anesthesie wordt bij u toegepast?
Voor de operatie maakt u eerst kennis met de anesthesioloog tijdens de preoperatieve screening op de Polikliniek Anesthesiologie. Dat is de specialist die zich heeft toegelegd op de verschillende vormen van narcose, verdoving, pijnbestrijding en intensieve zorg rondom de operatie. De anesthesioloog is op de hoogte van uw ziektegeval. Hij of zij zal u vragen stellen over uw gezondheid, welke medicijnen u gebruikt en of u allergisch bent voor bepaalde medicijnen. Ook kunt u vragen verwachten over eerdere operaties en hoe u toen op de anesthesie reageerde. Zo krijgt de anesthesioloog een indruk over uw gezondheidstoestand.

Tijdens uw bezoek aan de preoperatieve screening bespreken we welke anesthesie voor u het meest geschikt is. Het hangt af van verschillende factoren, zoals uw leeftijd, lichamelijke conditie, gezondheidstoestand en het soort operatie. Voor sommige operaties is er geen keuze mogelijk, voor andere zijn er diverse mogelijkheden. Uw kunt uw eigen wensen voorleggen aan de anesthesioloog die daarmee rekening houdt. Het kan zijn dat de anesthesioloog u voorstelt narcose te combineren met een ruggenprik of andere vorm van regionale verdoving. Het voordeel daarvan is de mogelijkheid na de operatie een betere pijnstilling te geven.

Risico’s / complicaties
Door verbetering van de bewakingsapparatuur, het beschikbaar komen van moderne geneesmiddelen en door een goede opleiding van de anesthesioloog en diens medewerkers is anesthesie tegenwoordig zeer veilig. Ondanks alle zorgvuldigheid zijn complicaties niet altijd te voorkomen. Zo kunnen er allergische reacties op medicijnen optreden. Bij het inbrengen van het beademingsbuisje kan uw gebit worden beschadigd. En door een ongelukkige houding tijdens de operatie kan een zenuw in de arm of het been beklemd raken, waardoor tintelingen en krachtverlies kunnen blijven bestaan. Het optreden van ernstige complicaties door de anesthesie is vrijwel altijd te wijten aan een onverwachte gebeurtenis, of het hangt samen met uw gezondheidstoestand voor de operatie. Vraag uw anesthesioloog gerust of de anesthesie in uw geval bijzondere risico's met zich meebrengt.

Voorbereiding op de operatie

Nuchter zijn
U moet tijdens de operatie 'nuchter' zijn omdat narcose normale reflexen, zoals hoesten en slikken onderdrukt. Wordt u ’s ochtends geopereerd dan betekent dat, dat u na 24.00 uur - de avond voor de operatie - niet meer mag eten. U mag alleen nog beperkt drinken (geen alcohol). Tot 2 uur voor de operatie mag u water, thee en koffie zonder melk drinken. Wordt u ‘s middags geopereerd, dan mag u voor 8.00 uur ’s ochtends een beschuit met jam (zonder melkproducten) nemen. U krijgt een losse instructiefolder mee, waar alle afspraken over eten, drinken en medicijngebruik in staan.

Medicatieoverdracht
Het Apotheek Service Punt verzorgt bij uw opname en/of ontslag de medicatie overdracht. Bij opname wordt informatie verkregen van uw eigen dienstdoende apotheek of apotheekhoudend huisarts. Indien u bezwaar heeft tegen het door ons opvragen van uw medicatiegegevens bij uw apotheek en het door ons versturen van uw medicatiegegevens naar uw apotheek en huisarts dient u dit kenbaar te maken aan de verpleegkundigen van de preoperatieve screening, tel.: 0570 53 56 41.
Bij ontslag verzorgt het Apotheek Service Punt voor de overdracht van het ontslagrecept richting uw apotheek en huisarts. 
 
Meestal zit er enige tijd tussen het moment dat u bij de polikliniek Anesthesiologie bent geweest voor de preoperatieve screening en het moment van de ingreep. Is er in deze tijd iets veranderd in uw gezondheidstoestand of is uw medicatie gewijzigd, gestopt of toegevoegd voor uw opname geef dit dan telefonisch door aan de verpleegkundigen van de preoperatieve screening, tel.: 0570 53 56 41.  Op het moment van opname worden uw medicatiegegevens nogmaals met u besproken door de arts of verpleegkundige op de afdeling om te controleren of er nog wijzigingen zijn.
 
Medicijngebruik
Vrijwel al uw medicijnen mag u innemen zoals u het altijd inneemt. Bepaalde medicijnen mag u de ochtend van de operatie, of een aantal dagen voor de operatie, niet innemen. De anesthesioloog op de preoperatieve screening zal u hierover informeren.

Roken
Wij adviseren u om in de uren voor de operatie niet te roken. De ademhalingswegen van rokers zijn vaak geïrriteerd en daardoor gevoeliger voor ontstekingen. Bovendien kan hoesten na de operatie erg pijnlijk zijn.

Make-up en nagellak
Op de dag van de operatie mag u geen make-up en nagellak te dragen. Kunstnagels moeten het liefst ook verwijderd worden, ten minste van elke hand 1 vinger. Dit heeft te maken met de meter die u op uw vinger krijgt om het zuurstofgehalte te meten. Nagellak en/of kunstnagels kunnen deze meting verstoren.

Veranderingen in uw gezondheid
Meestal zit er enige tijd tussen het moment dat u bij de polikliniek Anesthesiologie bent geweest voor de preoperatieve screening en het moment van de ingreep. Is er in deze tijd iets veranderd in uw gezondheidstoestand, wilt u dit dan (telefonisch) melden aan de polikliniek Anesthesiologie.

Meenemen

  • Patiëntenpas.
  • Neem alle medicijnen en bijbehorende hulpmiddelen (zoals naaldjes bij insuline) die u gebruikt mee in de originele verpakking naar het ziekenhuis
    en gebruik deze alleen van u zelf als de verpleegkundige of de apotheek u daarom vraagt.
  • Overzicht van uw medicijnen, verkrijgbaar bij uw apotheek.

Draag geen sieraden en laat waardevolle spullen thuis.

Voor de operatie

  • Voor de operatie moet u alle sieraden en eventuele piercings afdoen.
  • Draagt u een bril, lenzen en/of gebitsprothese? Bij een algehele verdoving moet u deze op de verpleegafdeling achterlaten.
  • Soms wordt u geschoren op de plaats waar geopereerd wordt.
  • U krijgt een operatiehemd om aan te trekken.
  • Als voorbereiding op de anesthesie krijgt u meestal een aantal tabletjes. Hiervan wordt u al wat slaperig en het is een start van de pijnstilling.

Operatie
U wordt in uw bed naar de voorbereidingsruimte op de operatieafdeling gebracht. Daar ziet u de anesthesioloog en diens assistent. Onze vakgroep bestaat uit een team met meerdere anesthesiologen, hierdoor is de anesthesioloog die u op de screening gesproken heeft vaak niet degene die de anesthesie tijdens de operatie verzorgd. Tijdens de operatie is de anesthesioloog of de anesthesiemedewerker, voortdurend bij u. Zo nodig kan de anesthesioloog ieder moment de anesthesie bijstellen. Ook zorgt de anesthesioloog ervoor dat uw vochtgehalte op peil blijft en dat u een bloedtransfusie krijgt toegediend indien er zoveel bloedverlies is tijdens de operatie, dat dit noodzakelijk is.

1. Algehele verdoving/narcose

Voordat u de narcosemiddelen krijgt toegediend, wordt de bewakingsapparatuur aangesloten. U krijgt plakkers op de borst om de hartslag te meten en een klemmetje op uw vinger om het zuurstofgehalte in uw bloed te controleren. De bloeddruk wordt aan de arm gemeten. U krijgt een infuusnaald ingebracht in een arm, waarop een infuus wordt aangesloten. Via deze infuusnaald spuit de anesthesioloog de narcosemiddelen in. U valt binnen een halve minuut in een diepe slaap.

Kleine kinderen zijn vaak bang voor een prikje en omdat hun bloedvaten kleiner zijn dan die van een volwassene zijn ze vaak lastiger te prikken. Zij worden daarom veelal in slaap gemaakt door hen via een kapje te laten ademen, waaruit een narcosedamp stroomt. Overigens is het ook mogelijk de huid te verdoven met een zalf, waardoor het prikje nauwelijks wordt gevoeld. Dat doen we meestal bij kinderen die al wat groter zijn.

Om de ademhaling tijdens de anesthesie te kunnen controleren wordt in veel gevallen, voordat de operatie begint, een plastic buisje in de keel gebracht. U merkt daar niets van, want u bent dan onder narcose.

Tijdens de operatie blijft de anesthesioloog of diens assistent voortdurend bij u. De anesthesioloog bewaakt tijdens de operatie de functies van uw lichaam. Dankzij de bewakingsapparatuur kan precies worden vastgesteld hoe uw lichaam op de operatie reageert. De ademhaling en de bloedsomloop kunnen zo nodig worden bijgestuurd en er worden medicijnen toegediend om de narcose te onderhouden.

2.Regionale Verdoving

Ruggenprik
U wordt aangesloten op de bewakingsapparatuur. Uw bloeddruk wordt gemeten. Er wordt een infuusnaald ingebracht in een arm. Afhankelijk van de voorkeur van de anesthesioloog wordt u gevraagd te gaan zitten of op een zij te gaan liggen. De ruggenprik is niet pijnlijker dan een gewone injectie. Als de verdoving is ingespoten merkt u eerst dat uw benen warm worden en gaan tintelen. Later worden ze gevoelloos en slap evenals de rest van het onderlichaam. Gedurende de operatie blijft de anesthesioloog of de anesthesiemedewerker bij u. Bij regionale anesthesie blijft u tijdens de operatie wakker, maar als u dat liever niet hebt kunt u, als er medisch gezien geen bezwaar is, een slaapmiddel krijgen. Overigens ziet u niets van de operatie: alles wordt met doeken afgedekt.

Het kan voorkomen dat de verdoving bij u onvoldoende werkt. Soms kan de anesthesioloog nog wat extra verdoving bijgeven. In andere gevallen is het beter om voor een andere anesthesievorm te kiezen, bijvoorbeeld narcose. De anesthesioloog zal dat met u overleggen.

Als bijwerking van een ruggenprik kan een lage bloeddruk optreden. De anesthesioloog is hierop bedacht en zal daartegen maatregelen nemen.

Soms komt het voor dat het verdoofde gebied zich verder dan bedoeld naar boven uitbreidt. U merkt dat doordat uw handen gaan tintelen. Misschien kunt u wat moeilijker ademen. De anesthesioloog zal u wat extra zuurstof toedienen. Meestal zijn de klachten daarmee opgelost.

Regionale verdoving van de arm
De arm kan worden verdoofd door de zenuwknoop (plexus) die naar de arm loopt tijdelijk uit te schakelen door rond de zenuwen een verdovingsmiddel te spuiten. Om u tijdens de operatie zo nodig medicijnen te kunnen toedienen krijgt u een infuusnaald in de andere arm. Afhankelijk van de plaats waar u geopereerd gaat worden, krijgt u de verdovingsprik in de hals, bij het sleutelbeen of in de oksel.

De anesthesioloog prikt met een naald op de plaats waar de zenuwen lopen die naar de arm gaan. Hiervoor gebruikt de anesthesioloog een zogenaamde zenuwprikkelaar. Met een lage elektrische stroom wordt de zenuw dan geprikkeld. U merkt dat doordat de arm of de hand onwillekeurig beweegt. Het is belangrijk dat u tijdens het prikken stil blijft liggen. Als de naald op de goede plaats zit, spuit de anesthesioloog het verdovende middel in, dan verdwijnen de onwillekeurige bewegingen meteen. Tegenwoordig kan de zenuwknoop (plexus) ook met behulp van een echo in beeld gebracht worden. De zenuwprikkelaar is dan meestal niet nodig. Welke methode bij u gebruikt wordt, is afhankelijk van welke anesthesioloog bij u de verdoving uitvoert.

De zenuwen die verdoofd worden lopen vlakbij grote bloedvaten. Het is mogelijk dat het verdovend medicijn direct in de bloedbaan komt. Dat uit zich in een metaalachtige smaak, tintelingen rond de mond, een slaperig gevoel, hartritmestoornissen, trekkingen en uiteindelijk bewusteloosheid. Dit komt zelden voor en het is een geleidelijk proces. Als dit voelt of merkt wat hierboven beschreven staat, moet u dat meteen melden.

Overgevoeligheid voor de gebruikte verdovingsmiddelen komt soms voor. Dit kan zich uiten in benauwdheid, huiduitslag en/of lage bloeddruk. Behandeling is meestal goed mogelijk.

De verdoving moet 15 tot 30 minuten inwerken voordat het effect optimaal is. Tijdens de operatie blijft u wakker, maar als u dat liever hebt kunt u om een slaapmiddel vragen. Overigens ziet u niets van de operatie, alles wordt met doeken afgedekt.

Korte tijd later merkt u dat de arm of hand gaat tintelen en warm wordt. Later verdwijnt het gevoel en kunt u de arm en hand niet meer bewegen. Wanneer de verdoving is uitgewerkt keren de beweging en het gevoel weer terug.

Het kan voorkomen dat de verdoving bij u onvoldoende werkt. Soms kan de anesthesioloog nog wat extra verdoving bijgeven. In andere gevallen is het beter om voor een andere anesthesievorm te kiezen, bijvoorbeeld narcose. De anesthesioloog zal dat met u overleggen

Duur

  1. Algehele verdoving
    Narcose is heel precies te sturen en zal nooit veel langer duren dan de ingreep zelf.
     
  2. Ruggenprik of regionale verdoving 
    Afhankelijk van de gekozen verdovingstechniek en het gebruikte medicijn kan het een paar uur tot een dag duren voordat de verdoving volledig is uitgewerkt.

Na de operatie
Na de operatie brengen de anesthesioloog en de anesthesiemedewerker u naar de uitslaapkamer. Dat is een aparte ruimte vlakbij de operatiekamer. Gespecialiseerde verpleegkundigen zien erop toe dat u rustig bijkomt van de operatie. Ook hier bent u aangesloten aan de bewakingsapparatuur. Soms loopt er een slangetje door uw neus om uw maag te ontlasten of om u extra zuurstof te geven. Zodra u voldoende wakker bent uit de narcose, of de ruggenprik voldoende is uitgewerkt gaat u terug naar de afdeling. Het kan ook zijn dat u nog enige tijd op een speciale bewakingsafdeling moet blijven, omdat de aard van de operatie een wat langere intensieve zorg noodzakelijk maakt. U gaat dan naar de intensive care. Zowel op de intensive care als op de verpleegafdeling kunt u bezoek ontvangen.

1. Algehele anesthesie/ verdoving
U kunt zich zo kort na de operatie nog slaperig voelen en af en toe wegdommelen. Dat is heel normaal. Met het uitwerken van de narcose kan er pijn optreden in het operatiegebied. Door de anesthesie, maar ook als gevolg van de operatie kan er misselijkheid optreden. U kunt de verpleegkundige gerust vragen om een pijnstiller of een middel tegen misselijkheid. Terug op de afdeling kunt u zich nog wat slaperig voelen, ook kan misselijkheid en braken optreden en kunt u pijn krijgen. De verpleegkundigen weten precies wat ze u kunnen geven. U mag er gerust om vragen. Hebt u een zwaar of kriebelig gevoel achterin de keel, dan komt dat van het buisje dat tijdens de operatie in uw keel zat om de ademhaling te kunnen regelen. Die irritatie verdwijnt vanzelf binnen een aantal dagen. Veel mensen hebben dorst na een operatie. Als u wat mag drinken, doe dan voorzichtig aan. Mag u niet drinken dan kan de verpleegkundige uw lippen nat maken om de ergste dorst weg te nemen.

2. Regionale verdoving

Ruggenprik
Met het uitwerken van de verdoving kan pijn optreden. Wacht niet te lang de verpleegkundige om een pijnstiller te vragen. U kunt moeilijkheden met plassen krijgen. De verdoving strekt zich uit tot de blaas. Het plassen kan daardoor moeilijker gaan dan normaal. Het kan nodig zijn de blaas met een katheter leeg te maken.

Lokale verdoving van een arm
Met het uitwerken van de verdoving kan er pijn optreden. Wacht niet te lang de verpleegkundige om een pijnstiller te vragen.

Naar huis

1. Algehele narcose
Als u nog dezelfde dag naar huis mag, zorg er dan voor dat u door een volwassene begeleid wordt en dat u niet alleen thuis bent. Regel vervoer per taxi of eigen auto, maar rijd zelf niet, u bent dan namelijk niet verzekerd! Doe het thuis de eerste 24 uur na de operatie rustig aan. Bestuur geen machines. Neem geen belangrijke beslissingen. Eet en drinkt licht verteerbare voedingsmiddelen.

2.Regionale verdoving

Ruggenprik
Het komt voor dat er rugpijn ontstaat op de plaats waar de prik is gegeven. Dit heeft te maken met de houding tijdens de operatie. De klachten verdwijnen meestal binnen enkele dagen. Na een ruggenprik kan hoofdpijn optreden. Deze hoofdpijn onderscheidt zich van 'gewone' hoofdpijn doordat de pijn minder wordt bij platliggen en juist erger wordt bij overeind komen. Meestal verdwijnt deze hoofdpijn binnen een week vanzelf. Als de klachten zo hevig zijn dat u het bed moet houden, neem dan contact op met de anesthesioloog. Deze heeft mogelijkheden om het natuurlijk herstel te bespoedigen.

Lokale verdoving van een arm
Na een lokale verdoving van een arm hoeft u soms niet in het ziekenhuis te blijven totdat de verdoving is uitgewerkt. Dat hangt af van de operatie die bij u is verricht. Zolang de arm verdoofd is moet u hem in een draagdoek (mitella) houden. Door irritatie van de zenuwen door de prik of door de gebruikte medicijnen kunt u nadat de verdoving is uitgewerkt ook enige tijd last houden van tintelingen in de arm en de hand. Deze tintelingen verdwijnen in de meeste gevallen in de loop van weken tot maanden vanzelf.

Leefregels
Het is heel gewoon dat u zich na een operatie nog een tijdlang niet fit voelt. Dat ligt niet alleen aan de anesthesie, maar aan de ingrijpende gebeurtenis die iedere operatie nu eenmaal is. Het lichaam moet zich in zijn eigen tempo herstellen. Dat kost energie en heeft zijn tijd nodig.

Wanneer contact opnemen/ vragen?
Hebt u na de narcose of verdoving nog vragen of houdt u klachten die hier volgens u mee te maken hebben, dan kunt u altijd contact opnemen met de anesthesioloog of een medewerker van de afdeling Anesthesiologie, tel.: (0570) 53 56 41.

Context menu