Lintopdrachten overslaan
Verdergaan naar hoofdinhoud
Omhoog

Hoe kunnen wij u helpen?

BEHANDELING

A - Z AZ lijst gebruiken om een pagina te vinden
Home > Behandelingen > ICSI (Intracytoplasmatische Sperma-Injectie)

ICSI (Intracytoplasmatische Sperma-Injectie)

ICSI (Intracytoplasmatische Sperma-Injectie) is een vruchtbaarheidsbevorderende behandeling. In het laboratorium wordt een zaadcel met een dun naaldje in de eicel geïnjecteerd. Deze behandeling vindt altijd plaats in combinatie met IVF.

De ICSI-behandeling verloopt net zo als een gewone IVF-behandeling, met uitzondering van het laboratoriumgedeelte. De zaadcellen worden niet zomaar met de eicellen samengebracht, maar met een uiterst dun glazen naaldje wordt één van de zaadcellen opgezogen en tot ín de eicel gebracht. Dit gebeurt op deze manier, omdat de zaadcellen niet in staat zijn zelf tot in de eicel door te dringen. Bij IVF verloopt dit gedeelte in principe nog op natuurlijke wijze.


Bij ICSI kunnen alleen de volledig rijpe eicellen gebruikt worden. Het is daarom niet altijd mogelijk om elke eicel te behandelen. Ook niet alle eicellen zullen de injectie goed doorstaan. Ongeveer 15% van de eicellen blijkt niet geschikt te zijn. Bij de overige eicellen is de kans op bevruchting, zelfs met "slecht" zaad, ongeveer gelijk aan de kans bij een IVF-behandeling met normaal zaad. De verdere ontwikkeling van de bevruchte eicellen en de plaatsing in de baarmoeder is bij IVF en ICSI hetzelfde. ICSI is dus eigenlijk een verdere laboratorium ontwikkeling van IVF. De eerste IVF-baby werd in 1978 geboren, de eerste ICSI-baby in 1992, dus 14 jaar later. Het aantal ICSI-kinderen dat geboren is, is natuurlijk kleiner dan het aantal IVF-kinderen.
Omdat ICSI een stap verder verwijderd is van de natuurlijke bevruchting dan 'normale' IVF, bestond aanvankelijk grote zorg over een mogelijke toename van aangeboren afwijkingen bij ICSI-kinderen. Onderzoek heeft aangetoond dat er inderdaad bijvoorbeeld een klein verschil bestaat tussen ICSI-kinderen en IVF-kinderen: de kans op bepaalde chromosoom¬afwijkingen is met ongeveer 1% toegenomen (chromosomen zijn de dragers van erfelijke eigenschappen). Het gaat hier dan met name om een afwijkend patroon van de geslachts-chromosomen X en Y. Dit afwijkende patroon wordt vooral gezien bij kinderen van wie de vader een soortgelijke variant heeft, soms in alle en soms in een deel van zijn lichaamscellen.
Het is daarom zinvol om vóór de start van de ICSI-behandeling het chromosoom-pa¬troon van de vader te laten onderzoeken, vooral wanneer bij hem het aantal zaadcellen erg klein is. Dit onderzoek kan worden verricht door bloedonderzoek. Indien een afwijkend patroon wordt gevonden, kan een gesprek met een klinisch geneticus (erfelijk¬heidsdeskundige) worden afgesproken.

Tenslotte nog een opmerking over de plaats van de ICSI-behandeling. In de meeste IVF-laboratoria in Nederland vindt ook ICSI plaats. Ook in Deventer is het mogelijk deze behandeling te doen in samenwerking met Zwolle.

 

Context menu