Lintopdrachten overslaan
Verdergaan naar hoofdinhoud
Omhoog

Hoe kunnen wij u helpen?

BEHANDELING

A - Z AZ lijst gebruiken om een pagina te vinden
Home > Behandelingen > Epifysiolysis van de heup (kinderorthopedie)

Epifysiolysis van de heup (kinderorthopedie)

Doel is de voortgaande afglijding tot stilstand te brengen. De standaard behandeling is operatief. Er wordt onder röntgendoorlichting een schroef in het centrum van de heupkop aangebracht. Van belang is dat deze schroef de groeischijf doorboort. De groeischijf zal door deze fixatie gaan sluiten en het glijden stopt.
 
Vroeger gebruikte men drie pinnen of schroeven, daarna twee schroeven en thans één schroef.

Er zijn 2 soorten schroeven, titanium en staal. Voordeel van een stalen schroef is dat de kop harder is dan van een titaniumschroef, waardoor er later bij een eventueel verwijderen van de schroef er een betere grip is op de kop. De huidige techniek met een schroef geeft de minste kans op complicaties. Na de operatie mag de patiënt gaan lopen met twee krukken met geleidelijk aan toenemende belasting.
 
Wanneer helaas de diagnose te laat gesteld wordt en er al een ernstige deformiteit met botombouw is ontstaan, zijn er ook andere operatietechnieken. Er kan dan een wig uit het bovenbeen gezaagd worden waarna het been in een goede stand wordt teruggedraaid. Hierna worden de botstukken met een plaat en schroeven weer aan elkaar gemaakt. Deze operatietechniek, die alleen wordt toegepast in een laat stadium van de ziekte kent een verhoogde complicatiekans.
 
Zijn er problemen of complicaties van de schroeffixatie operatie of nadelige gevolgen kort na deze operatie bekend?
Complicaties zijn de a lgemene complicaties na een operatie, zoals een infectie of een slechte wondgenezing. Soms ontstaat een on tsierend litteken op het bovenbeen.
Problemen die samenhangen met de aandoening en niet beïnvloed worden door de operatie zijn de kans op een gering functieverlies en beenlengteverschil. De kans op een groot beenlengteverschil is gering omdat de grootste groei van het been in de groeischijven rond de knie, dus niet in de groeischijf van de heup plaatsvindt.
De specifieke problemen zijn afsterven van de heupkop(heupkopnecrose) of afsterven van het kraakbeen van de heupkop(chondrolysis) vooral bij de instabiele afglijding. Ook bij de wigcorrecties van het bovenbeen is de kans op deze specifieke problemen vergroot.
  
Zijn er late gevolgen van deze ziekte bekend?
Een te laat ontdekte heupkopafglijding lijdt tot slijtage op relatief jonge leeftijd. Hoe erger de afglijding hoe groter de kans op een vroegtijdige heupslijtage. Wanneer er een lichte of matige afglijding geopereerd is met een schroeffixatie dan is de kans op een heupslijtage beperkt. Een ernstige afglijding heeft, ook na schroeffixatie, een vergrote kans op een heupslijtage.
 
Kan men, als er eenmaal slijtage is opgetreden na een epiphysiolysis nog een behandeling plaatsvinden met een kunstheup?
Dit is zeker mogelijk, ook als op jongere leeftijd een progressieve artrose is ontstaan. Weliswaar is de vorm van de heupkop dan vaak ellipsvormig veranderd en is het gebied onder de kop misvormd maar door gebruik te maken van moderne preoperatieve planning met digitale beeldvorming kan de juiste prothese vorm en maatvoering goed vastgesteld worden.

Met name bij deze relatief jonge patiënten is het van belang goed overleg te hebben met de orthopaedisch chirurg bij de keuze van een prothese. Hij zal een prothese moeten inbrengen waarvan uit de literatuur bekend is dat die prothese al vele jaren met succes gebruikt wordt. Ook zal de orthopaedisch chirurg zelf grote ervaring met die prothese moeten hebben teneinde de kans op succes zo groot mogelijk te maken. Ook hoort bij de voorlichting een kritische beschouwing over vele nieuwe experimentele methoden en materialen. Helaas blijkt maar al te vaak dat een nieuw materiaal of een vernieuwde methode na vijf jaar weer van het orthopaedisch toneel is verdwenen, de patiënt zal dan een vroegtijdige heroperatie moeten ondergaan, welke altijd ingrijpender zal zijn.

Context menu