Hydrolyse van de shunt

Binnenkort komt u naar het ziekenhuis voor een hydrolyse op de röntgenafdeling (radiologie). U krijgt van de secretaresse van de Dialyse-afdeling een afspraak mee met datum, tijdstip en routenummer van het onderzoek. In deze folder leest u meer over de behandeling.

Wat is een hydrolyse?
Als een shunt dicht zit (gestold is), kan de arts beslissen om een hydrolyse te laten doen. Bij een hydrolyse wordt er met behulp van een katheter (een dun slangetje) geprobeerd om de stolsels uit de shunt te verwijderen.

Voorbereiding
Voor dit onderzoek is geen voorbereiding nodig.

Het onderzoek
De radioloog voert de behandeling uit en wordt geassisteerd door twee laboranten. U neemt plaats op de röntgentafel, uw shuntarm ligt opzij. Uw arm wordt schoongemaakt (gedesinfecteerd) met jodium. Over uw hand krijgt u een steriele handschoen. Uw arm wordt afgedekt met een steriel laken. Vervolgens geeft de radioloog u een prik voor de plaatselijke verdoving.
De shunt wordt aangeprikt met een holle naald, daarna wordt er een dun hol buisje ingebracht. Er worden altijd 2 dunne holle buisjes ingebracht, één aan de aderlijke kant en één aan de slagaderlijke kant. Door een dun hol buisje wordt de hydrolysekatheter (een dun slangetje) ingebracht. Via deze katheter wordt er een zoutoplossing ingespoten. Er ontstaan aan het uiteinde kleine wervelingen (snelle rondbewegingen). De zoutoplossing wordt via de katheter direct weer teruggezogen. Door de wervelingen gaan de bloedstolsels in de shunt los, deze worden met de zoutoplossing teruggezogen. De zoutoplossing met de stolsels wordt opgevangen in een opvangzak. Dit wordt meerdere keren gedaan, dit is niet pijnlijk.

Na het spoelen met de zoutoplossing zijn er in de shunt altijd nog plaatsen die wat nauwer zijn. Tijdens een hydrolyse wordt er daarom ook altijd gedotterd. Bij een dotter wordt er met behulp van een katheter (een dun slangetje) met aan het uiteinde een ballonnetje geprobeerd om de nauwe plaats in de shunt op te heffen. Via het dunne slangetje legt de radioloog de dotterballon op de plek van de vernauwing. Door de ballon op te blazen wordt geprobeerd de nauwe plaats op te heffen. Het opblazen van de ballon kan pijnlijk zijn. Op het moment dat de ballon leeg wordt gelaten, verdwijnt dit gevoel direct.

Tijdens de behandeling wordt er via het dunne hol buisje contrastvloeistof ingebracht en een serie röntgenfoto’s gemaakt om het resultaat te bekijken. Zo nodig wordt de hydrolysekatheter of de dotterballon nogmaals ingebracht. Van de contrastvloeistof kunt u een warm gevoel krijgen, dit is normaal en verdwijnt binnen enkele minuten.

Na het onderzoek
Aan het eind van de behandeling worden de twee dunne holle buisjes afgeplakt. De dunne holle buisjes blijven zitten en worden op de dialyse gebruikt voor het dialyseren. Soms is het nodig om toch nog een naald te prikken op de dialyse afdeling. Na een hydrolyser wordt u altijd aansluitend gedialyseerd. De nefroloog beslist hoe lang u moet dialyseren.

De duur
De behandeling duurt ongeveer 1,5 tot 2 uur.

Bijwerkingen
De contrastvloeistof kan soms bij mensen met een allergie, astma of bronchitis en suikerziekte (diabetes mellitus) bijwerkingen veroorzaken. U kunt daarvan gaan niezen, jeuk krijgen of misselijk worden. Vertel altijd aan uw arts of verpleegkundige wanneer u overgevoelig bent (of lijkt te zijn) voor contrastvloeistof of voor jodium op de huid.

Complicaties
Bij een hydrolyse en dotter kunnen soms complicaties ontstaan. Dit komt zeer zelden voor en kan eigenlijk altijd door de radioloog of de (vaat) chirurg worden hersteld. Na het onderzoek ontstaat, na het verwijderen van het slangetje soms een bloeduitstorting rond de shunt. Dit verdwijnt vanzelf in enkele weken.

De uitslag
De radioloog vertelt u het resultaat van de behandeling.

Bent u verhinderd?
Laat dit dan op tijd weten. Een andere patiënt kan dan in uw plaats worden geholpen.

Vragen?
Bel dan het Diagnostisch Centrum, telefoon: (0570) 536 789.

zoeken